Ze
is geboren
in 1952, een jaar en acht maanden later dan haar grote
zus Josefa, en
Ze zijn sindsdien onafscheidelijk. In het boek worden twee verhalen beschreven die door elkaar heen lopen. Het ene verhaal gaat over Rina een meisje uit een Romeens Joods gezin die opgroeit in een arme wijk van Haifa waar allemaal emigranten wonen. Het balkon was de belangrijkste kamer van daar is alles
te zien. In de warme zomers zitten alle bewoners op het balkon. Iedereen kent iedereen en men leeft als een grote familie. Haar moeder die slechthorend is en nooit goed Hebreeuws heeft geleerd, werkt als schoonmaakster en haar vader werkt op verschillende plaatsen zoekt wanhopig naar een goede baan. Rina groeit op met haar zus die intelligent is, terwijl zij dat niet is droomt ze ervan
om net zo slim te zijn. Samen helpen ze elkaar om zich te kunnen handhaven in het zware leven van de realiteit. Het andere verhaal beschrijft een volwassen vrouw die achter de liefde aan naar Barcelona reist. Haar liefde is een knappe rijke Joodse man. Ze heeft hem leren kennen in Israel waar hij naar toe kwam om te werken na zijn studie. Ze reisde eerst voor drie maanden. Ze was gaste van zijn rijke familie. Iedere keer weer staat ze verbaast van het goede leven. Het doet haar verdriet dat haar ouders nog steeds hun arme leven leven. Het stel trouwt maar het cultuurverschil tussen haar en zijn familie werkt niet ten goede. Als ze in verwachting raakt komen ze naar Israel om daar hun gezamelijke leven te beginnen. De lezer leert dat het leven van het meisje in de schaduw van haar zus, de gezamelijke ervaringen, de verschillende figuren uit de jeugdtijd, haar heeft gemaakt tot wie ze nu is.
Meer recencies over de mijn zusje en ik