Het boek beschrijft het leven van de Joden
in de
tweede wereldoorlog, met name de kinderen. Maar in eerste instantie is het haar verhaal. Het is deels tijdens de bezettting geschreven en afgemaakt in Israel waar
ze beland via Bergen Belsen.
Ze is een jonge Joodse vrouw die in Groningen woont haar man komt
te overlijden en ze staat er nu alleen voor om haar zes kleine
kinderen op te voeden. Ze werkt als onderwijzeres, geeft lezingen en schrijft boeken. Als de tweede
wereldoorlog uitbreekt verhuist ze naar Amsterdam. Eerst helpt
zij in de Joodse schouwburg de mensen die naar de kampen gestuurd worden, daarna wordt zij zelf naar Westerbork (1943) gestuurd en later naar Bergen Belsen (januari 1944). Ze heeft geluk en komt bij de groep terecht die word uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen. Na een lange reis komt ze bij dochter Rosa in Palestina aan. Haar vijf broers en ook twee zoons van haar overleven de oorlog niet.
De meesten sterrekinderen, Joodse kinderen die een ster moesten dragen, hebben de oorlog niet overleefd, zij heeft hun een mond gegeven door dit boek te schrijven. In dit boek ziet ze de gebeurtenissen door de ogen van die kinderen, die verbaasd en niet begrijpend ondergaan wat de haat van de ontmenste mensen hun aandoet.
Meer recencies over de sterrekinderen