Kleine Leviathan speelt zich af in het fictieve Breeuwershaven in achttiende-eeuws Schouwen-Duiveland. Het verhaal
is gebaseerd op de lotgevallen van een historische figuur: de oplichter en onbevoegde arts Abraham Mag(g)aris.
In de jaren zestig van de achttiende eeuw strijkt Johannes Kamerink neer in het Zeeuwse havenstadje Breeuwershaven als arts, visionair prediker en zakenman. Zijn veronderstelde buitenlandse betrekkingen, verzonnen fortuin, gefingeerde correspondenties en een van Frederik II gekregen klisteerspuit verschaffen hem toegang tot de plaatselijke elite. Tegen het eind van de eeuw overpeinst Kamerink zijn uiteindelijk falen. De gebeurtenissen die tot zijn berechting en opsluiting hebben geleid passeren de revue; herinneringen van een allengs hallucinanter karakter en pseudowijsgerige beschouwingen vormen een paranoïde systeem waarin alles op zijn plaats valt, en waarin Kamerinks neergang tot een drama wordt van mythische proporties en alomvattende betekenis.
De roman behoort tot de brede, ‘meta-realistische’ stroming binnen de historische literaire fictie, vertegenwoordigd door zo uiteenlopende schrijvers als Italo Calvino, J.L. Borges, Gabriel Garcia Márquez, R.A. Lafferty en, in het Nederlands taalgebied, de vroege Louis Ferron en Willem Brakman.